dinsdag 26 mei 2009

Duurzaam 1

De bedoeling was om al eerder over de sociaal - economische index te schrijven. Dat laat even op zich wachten.

Vandaag over duurzaamheid in mobiliteit.

Enige tijd geleden stond mijn auto te koop en was er een geinteresseerde. Deze man stond er op dat er een aankoopkeuring bij de dealer plaats zou vinden. Nou wordt mijn auto altijd perfect onderhouden door een zgn. vakgarage. Op tijd de servicebeurten en de noodzakelijke vervangingen.
Ik had dus geen enkel probleem met deze aankoopkeuring. Na de keuring werden we even apart genomen. De uitslag! Er klopte niets van de auto (7 jaar oud en slechts 175.000 km). Afgaand op het relaas van de baliemedewerker was een reparatie van minimaal E 2.000 noodzakelijk om weer veilig de weg op te kunnen. Vooral het geluidjeuit de motor was zorgelijk en ik zou de auto zeker een dag kwijt zijn voor een onderzoek naar de oorzaak van het geluidje.
De ex-potentiele koper teleurgesteld weg en ik met een kater. Toch nog maar even een second-opinion. op naar mijn vakgarage. Daar constateerde men 1 defect dat eenvoudig gerepareerd kon worden. En het geluid? Tja, mijn garage had het binnen 1 minuut gelokaliseerd. Niets aan de hand.
Wat heeft dit met duurzaamheid te maken?
De auto betreft een VOLVO V70 D5, een auto waarvan bij aankoop in de showroom wordt gezegd; 'onverwoestbaar, gaat honderdduizenden kilometers mee, ideaal als je veel kilometrs moet maken'
In zo'n geval denk ik dan; precies wat ik nodig heb, sterk, degelijk, comfortabel. Een zorgeloze auto en een duurzame auto, niet alleen vanwege het roetfilter en het lage brandstofverbruik maar ook vanwege de lange levensduur en de degelijkheid waardoor er maar weinig vervangende onderdelen nodig zijn.

Nu lees ik in het NRC weekblad van 23 mei een stuk van Joris Luyendijk over de electrische auto. Niet over zomaar een electrische auto mar over een electrische auto die in Limburg/Noord-Brabant wordt gebouwd, productierijp is en vanaf 2010 gewoon volop geleverd kan worden, slechts 600 onderdelen heeft (ter vergelijking; een benzineauto heeft gemiddeld 2000 onderdelen die geproduceerd moeten worden).
Deze auto heet QUICC! en wordt geproduceerd door DuraCar Helmond/Heerlen.
Nooit van gehoord zegt u! Nee, ik tot voor zaterdag ook niet!!.
Ik vroeg me dus af hoe het komt dat van een auto die nu al geproduceerd wordt en die van 2010 gewoon te koop is zo weinig wordt vernomen. Hoe is het mogelijk dat de noodzakelijke investeringen voor deze revolutionaire auto tot nu toe maar niet loskomen?

Is de lobby van de traditionele autindustrie dan zo sterk dat ze zo'n initiatief het zo moeilijk kunnen maken, dat ze de autopers er niet over kunnen laten schrijven?

Is de verkoop van onderdelen (o.a. dankzij APK-keuringen en aankoopkeuringen) dan zo noodzakelijk om te overleven dat het bedrijfsleven, de noodzakelijke investeerders niets van zo'n project moeten hebben met als gevolg van de lobby dat er weinig kennis onder de gebruikers/potentiele klanten. En dan vervolgens roepen dat de markt er nog niet rijp voor is.

Nu begrijp ik de uitslag van de aankoopkeuring ook beter!

Ik ga voor de QUICC! en zal me in 2010 als dit karretje op de markt komt, orienteren op de mogelijkheden dit karretje in te zetten voor de Crazy Concept Crew.

Want zoals een spreuk bij de uitgang van het bedrijf laat weten: "IEDEREEN DACHT DAT HET NIET KON, TOT ER IEMAND KWAM DIE DAT NIET WIST"

Uilenspieghel

dinsdag 5 mei 2009

Stad 3

Breda bezet als 9de gemeente van Nederland de 32ste plaats op de woonaantrekkelijkheidsindex. Daarover schreef ik vorige week.

Deze week kijken we naar de bevolking, de groei, de diversiteit in de bevolking, het opleidingsniveau, de vergrijzing en de verjonging van de beroepsbevolking, het zgn. Human Capital en het aandeel kansarmen.

Breda had in 2008 170.960 inwoners en laat in de afgelopen 5 jaar flinke groei t.o.v. het gemiddelde van de 50 grote gemeenten. Deze bevolkingsgroei zie ik niet terug in de diversiteitscijfers. Het aantal allochtonen blijft met ongeveer 10% onder het landelijk gemiddelde.

Kijken we naar het opleidingsniveau dan zien we dat het aantal laagopgeleiden met 21% van de beroepsbevolking net onder het landelijk gemiddelde scoort, ongeveer 5,5% hiervan moet tot de groep van de laagstopgeleiden worden gezien. Ook het aantal middelbaar opgeleiden zit een fractie onder het gemiddelde met 40% van de beroepsbevolking. Het aantal hoogopgeleiden scoort met 39% net boven het gemiddelde.

De vergrijzing neemt net als het landelijk gemiddelde toe. Het aantal 55-64 jarigen beslaat 17% van de potentiele beroepsbevolking (dus hierbij ook de uitkeringsgerechtigden) Hiermee scoort Breda enkele procenten hoger dan het landelijk gemiddelde.
De verjonging van de beroepsbevolking neemt al weer jaren af en is nu gedaald tot 21% van de potentiele beroepsbevolking. De daling van de verjonging is sterker dan de stijging van de vergrijzing.

Het Human Capital geeft de omvang van de creatieve klasse en nerds t.o.v. de beroepsbevolking weer.
Hier zien we een, bij zowel de creatieve klasse als de nerds, achterblijvende groep. De creatieve klasse scoort hier nog het best met enkele procenten onder het landelijk gemiddelde en een 19de plaats op de ranglijst van 50 grootste gemeenten maar bij de nerds wordt het verschil toch groter zien we Breda pas op een 37ste plaats.

Het aandeel kansarmen blijft al jaren op hetzelfde niveau en daarmee zit Breda onder het gemiddelde.

Dit laatste verbaast mij. Hoeveel programma's zijn er de laatste jaren niet opgestart om juist de kansarmen de gelegenheid te bieden om uit die hoek te komen! Wat is het effect? Hoe wordt dit geƫvalueerd en wat wordt er van geleerd? Lijkt mij een punt om verder uit te zoeken en later op terug te komen. Ben ook wel benieuwd wat jullie als lezer hiervan vinden en welk materiaal jullie kunnen bijdragen.

Wat mij daarnaast opvalt is de behoorlijke bevolkingsgroei in relatie tot de vergrijzing en verjonging. Deze bevolkingsgroei gaat nl. harder dan de groei van de vergrijzing en minder minder maar toch nog sneller dan het achterblijven van de verjonging. Dit betekent volgens mij dat een groot contingent van de potentiele beroepsbevolking tussen 34 en 55 jaar is en we dus de komende 20 jaar met een grote afname van de beroepsbevolking te maken krijgen. Dit met alle gevolgen vandien.
Nu is deze problematiek natuurlijk niet nieuw. Reeds in 1968, 1973 werd onderzoek gedaan met als titel "Oudere werknemers binnen een grote Nederlandse onderneming" melding gemaakt van de grote gevolgen die vergrijzing met zich mee kon brengen. Een reeks onderzoeken tussen 1969 en 1990 schetsten een steeds groter wordend probleem. Dit leidde echter niet tot draagvlak. Integendeel werkgevers en werknemers organisaties toonden zich tevreden met de gang van zaken. Onder andere, zo wordt voorondersteld, doordat voortijdige uittreding van oudere werknemers de werkgever ontlastte van de noodzaak om met de eigenaardigheden van de oudere werknemer rekening te houden.

Naar mijn mening zien we een voortzetting van deze trend in het heden. Het lijkt alsof het probleem niet leeft.
Met goede voorbeelden geven komen we er niet. Er moeten nu spijkers met koppen worden geslagen. Als we nu geen maatregelen dan ontstaan er in de jaren 2015 - 2020 en verder grote problemen op de arbeidsmarkt door een groot tekort aan geschoolde medewerkers. Daarnaast zullen dat dan ook nog medewerkers moeten zijn die de ontwikkelingen op de huidige arbeidsmarkt aankunnen en de daarvoor noodzakelijke flexibiliteit kunnen opbrengen.
Kortom een enorme uitdaging waar overheden (zowel lokaal, regionaal, landelijk als Europees) onderwijsinstellingen en werkgevers zich sterk voor moeten maken.
Vooralsnog zie ik te weinig ontwikkeling. Er zijn bijvoorbeeld nauwelijks bedrijven/organisaties die iemand van 50 jaar of ouder aannemen, er zijn nauwelijks bedrijven/organisaties die een demotiebeleid hebben.
Zo zijn er ook weinig bedrijven/organisaties die op strategisch niveau een voorwaarden scheppend pro-actief beleid hebben gestoeld op nieuwste technieken, op tactisch niveau een preventief beleid hebben en risico=analyses maken en op operationeel niveau een uitvoerend beleid hebben gericht op correctie en herstel.


Volgende week komt de sociaal -economische index aan de orde.

Uilenspieghel


Geraadpleegde literatuur:
Kerkhoff, W.H.C. (1993) De oudere werknemer. Kluwer Bedrijfswetenschappen